In het jaar 2000 lag het aantal laaggeletterden onder 15-jarigen op ongeveer 10%. Menigeen dacht toen: goed onderwijs brengt ons vanzelf naar het getal nul. In 2020 ligt het percentage laaggeletterdheid echter op 25%. Wat impliceert dat een kwart van 15-jarigen brieven van overheidsdiensten niet begrijpt. Deze deficiëntie is voor het leven.

Bij zo’n dramabericht doet onderwijs even mee in de krantenkolommen. De verklaringen buitelen over elkaar. Maar dan zie ik een reportage van Nieuwsuur over het lerarentekort. Een directeur van een basisschool in een kansarme wijk in Amsterdam staat naast een mevrouw. Zij gaat groep 3 doen. Onbevoegd, de mevrouw gaat misschien nog naar de pabo, voor die bevoegdheid, maar de toelatingstoetsen zijn best moeilijk. Waarom ze dan toch aan groep drie mag lesgeven? Ze is onderwijsassistent, een Mbo-opleiding. Kinderen met een vmbo-basis/kader diploma, zeg maar de vroegere huishoudschool, gaan daar heen. Deze onderwijsassistent gaat kinderen leren lezen. De directeur roept op camera net wat te hard dat hij er alle vertrouwen in heeft. Ten onrechte, maar hij kan moeilijk anders.

Zo vreten de termieten aan de fundamenten van goed onderwijs. De gevolgen zijn voor iedereen zichtbaar. De landenvergelijkende resultaten, verzameld door de OESO, dalen 20 jaar aan een stuk. Onderzoeken naar dat wat op school geleerd is in geschiedenis, burgerschap, rekenen laten allemaal hetzelfde zien; het wordt minder en neemt gênante vormen aan. Kunnen kinderen in groep 8 de werkwoorden nog prima vervoegen, in de derde klas van het voortgezet onderwijs is dat ineens ingewikkeld.

Elk jaar publiceert de onderwijsinspectie De Staat van het Onderwijs. Deze rapportage schetst een inktzwart beeld. Kinderen vinden hun leraren aardig, voelen zich veilig op school, maar gemotiveerd om iets te leren zijn ze amper tot niet. Voldoen en door naar het volgend jaar is de norm. Op deze bewaarschool telt vooral waar je vandaan komt en niet wat je op school leert. Het resultaat is een wonderlijke paradox. Terwijl kinderen minder leren neemt de deelname aan het hoger onderwijs toe, met dank aan het groeiend aantal particuliere huiswerkinstituten.

De daling van het leerrendement van basis- en voortgezet onderwijs is algemeen bekend en niemand schept hier genoegen in. Minder leren staat immers voor welvaartsverlies in de vorm van een lagere verdiencapaciteit en erosie van maatschappelijke cohesie. En dus volgt beleid. De resultaten zijn keer op keer tegengesteld aan de doelstellingen. In 2008, het jaar van de kredietcrisis, het geld is even op, toch maakt de toenmalige minister Plasterk 1 miljard euro vrij ter bestrijding van het kwalitatief lerarentekort. Die 1 miljard moet het opleidingsniveau van leraren doen stijgen. In werkelijkheid daalt het opleidingsniveau vrolijk verder. Overheid en schoolbesturen vinden ook dat leerlingen te weinig verantwoordelijkheid nemen voor hun leerproces. Met individualisering van leertrajecten, ICT en leerpleinen proberen ze daar wat aan te doen. Het resultaat? De Nederlandse leerling is ongemotiveerder en consumptiever dan ooit.

Basis- en voortgezet onderwijs hebben serieuze kwaliteitsproblemen en genomen maatregelen maken alles erger. Precies dat gegeven maakt de sector onbestuurbaar. NLBeter is de partij die slecht bestuur prominent op de agenda zet. Goed is dat.

Ton van Haperen
Leraar, lerarenopleiding en publicist