D’66 is de politieke partij die nadenkt over onderwijs. Het Kamerlid Paul van Meenen was leraar, schoolleider en onderwijsbestuurder en weet hoe de hazen lopen. Het is dan ook niet raar dat juist deze partij met een revolutionaire onderwijsparagraaf komt. Kinderopvang in het onderwijsbestel, een lange en rijke schooldag met sport, hobby en warme lunch, leraren betalen via school en niet via het bestuur, en een maximale lestaak van 20 uur. Voorheen had D’66 vertrouwen in het bestaande stelsel en beperkte zich tot vragen om meer geld. Deze keer wil de partij ingrijpen in structuren.

En dat is goed, want meer geld in dit onderwijsbestel is als het oppompen van een lekke fietsband. En als NLBeter er niet was, zou ik op dit programma stemmen. Maar dan vooral vanuit respect voor de intenties. Want inhoudelijk is het programma niet meer dan de goed bedoelde stip aan de horizon die maar niet dichterbij wil komen. Kinderen vanaf 2 jaar van 8 tot 5 naar school riekt naar staatsopvoeding en dat zijn we in dit land niet gewend. Buitenschoolse opvang integreren in het onderwijsbestel betekent bovendien onteigening van winstgevende bedrijven. Dat gaat geld kosten, wat ook elders kan worden aangewend. Leraren korter laten lesgeven met een lerarentekort betekent; stop met niet-lesgevende taken, verlaat de kantoren, alles en iedereen voor de klas. En in het zwijgen over die praktische consequenties zit mijn bezwaar. Een bescheiden coalitiepartij, decennia in het centrum van de macht, medeverantwoordelijk voor de bestaande malaise, formuleert pretentieuze doelstellingen, maar vergeet de offers.

NLBeter is een nieuwe partij die kiest voor speerpunten, gericht op een beperkt aantal doelen. Het onderwijs is namelijk even log als groot en daar is veel mis. Denk aan het hoger onderwijs met zijn doorgeschoten aandacht voor beta studies, flexibele arbeidscontracten en groeiende verengelsing. Mammoetorganisaties in het mbo hanteren vaak een intimiderende bestuursstijl die leraren demotiveert. Daar staat tegenover, afnemers, personeel en volwassen deelnemers kunnen hierin met de bestaande regelgeving bijsturen. Als de politiek kan helpen, prima, maar de prioriteit ligt even elders. Want voordat studenten over de drempel van het universitair en beroepsonderwijs stappen, gaat er iets veel groters mis. Daar is nieuwe wetgeving onvermijdelijk.

Kinderen leren steeds minder op school. Dit treft vooral kinderen die van huis uit niet zoveel leerbaarheid meekrijgen. Deze kansenongelijkheid tast de cohesie en verdiencapaciteit van dit land aan, is veroorzaakt door mislukt beleid en de oplossing is niet pijnvrij. Meer leren op school is namelijk verbonden met de kwaliteit van leraren. Kwaliteit van werknemers van een kennisinstituut wordt geprikkeld door opleidingsniveau mee te nemen in de beloning. Dus de onderwijzer van groep drie die een universitaire master haalt, om vanuit wetenschappelijke inzicht het onderwijs te verbeteren, krijgt een hoger loon. Dit kan alleen als de overheid het beheer naar zich toetrekt, onderwijsbestuurders inleveren en de leraar die niet wenst te studeren accepteert dat het hoger loon er voor hem niet inzit.

Niks wordt beter als je niet iets opoffert. Veel pretentie en weinig resultaat is wat het negeren van deze wetmatigheid oplevert. Daarmee is de Nederlandse onderwijspolitiek als de muis die stampt op de brug. En dat kan dus anders en beter, NLBeter.