Veiligheidsgevoel ontwikkel je het liefst zo jong mogelijk

Preventie

We wéten inmiddels goed dat gezondheid uiterst vroeg in het leven, zelfs voor geboorte en conceptie, begint. Dat de postcode van je huidig- en ouderlijk huis een goede voorspeller is voor fysieke-, mentale gezondheid en voor levensverwachting. Helaas handelen we er nog niet altijd naar, en loopt ons zorgstelsel- en het leefstijlbeleid achter op dit weten. Ik vind het dan ook een zinnig idee dat artsen de politiek ingaan om kennis om te zetten in beleid en politieke keuzes. Preventie heeft de toekomst willen we de zorg werkend, betaalbaar en lief houden.

Kraambezoek

Waar we misschien nog wat minder vaak over spreken, is dat ook je veiligheid en je gevoel van hoe je goed voor je eigen veiligheid kunt zorgen, al op jonge leeftijd wordt ontwikkeld. Politieoptreden en criminaliteit associeer je waarschijnlijk niet met een kraambezoek, en toch zou je dat misschien wel moeten doen.

Veiligheidsprofiel

Wij mensen hebben afspraken met elkaar over wat we acceptabel vinden en niet in de omgang met andere mensen. Net als voor gezondheid geldt, dat het erg afhankelijk is van waar je geboren bent, wat je opvattingen zijn over -recht op- veiligheid. Stel je voor dat je wieg staat in een gewelddadig gezin, of dat je elke week op bezoek gaat bij je oudere stiefbroer in de gevangenis. Dan krijg je andere normen en waarden mee over geweld- of over omgang met autoriteit en politie dan in een gezin met structuur en veel liefde. Bekend is dat kinderen uit een gezin met laagopgeleide- of minderbegaafde ouders vaker brandwonden oplopen, simpelweg omdat ouders vaker onhandige dingen doen met koken, kachels en kaarsen en elektrische apparaten vaak te oud zijn. Als je schoolkind bent, en je woont in een omgeving waar je oudere neef op zijn twaalfde wordt geronseld om drugs te dealen, of je wordt op school gediscrimineerd omdat je thuis een andere taal spreekt, dan krijg je een andere inprint van de rol van politie en samenleving dan je leeftijdgenootje dat beschermd wordt opgevoed en tijd heeft om geld in te zamelen voor het wereldnatuurfonds. Als je dan vervolgens op een middelbare school komt waar het heel normaal is om een mes mee te nemen om jezelf te verdedigen of waar je met je vriendinnen roddelt dat een van de meiden op school een relatie heeft met een loverboy, of je als je thuiskomt van een feestje, je langs donkere enge galerijflats moet fietsen, dan kan je zeggen dat je inmiddels een ‘risicovol veiligheidsprofiel’ hebt ontwikkeld. Risicovol in de zin dat je het misschien normaal vindt om gewelddadigheid, inbraak, stelen, schulden, dealen, misbruik, pesten, discriminatie, etc. te ondergaan. De kans dat je snel naar de politie stapt als er iets aan de hand is, is dan klein. Je hebt geleerd dat shit bij het leven hoort. Veiligheid adem je in. Onveiligheid ook. Je bent ofwel een verdomd goede survivor geworden, wat overigens heel positief kan uitwerken, of je stapt het leven in waarbij je steeds opnieuw slachtoffer wordt van onveilige situaties of je zelf als dader in een criminele loopbaan rolt.

Veiligheidspreventie

Politie en justitie in Nederland doen veel aan preventie. En dat doen ze goed. Veiligheidsgevoel wordt jaarlijks gemonitord per wijk en burgers worden betrokken bij het veilig- en leefbaar houden van wijk en woning. Toch denk ik dat beleid en politiek meer kunnen doen met het idee dat je je veiligheidsprofiel jong ontwikkelt. Een paar voorbeelden. Al bij de aanleg van woningen en wijken zou veiligheid in de zin van zichtbaarheid, goede verlichting, bewoning van benedenverdiepingen, afwisseling vegetatie, een vast checkpoint moeten zijn bij stadsontwikkeling. Het oppikken en melden van signalen van huiselijk geweld-, mishandeling- of seksueel geweld zou in de haarvaten moeten zitten van iedere docent, kinderopvangmedewerker, arts, sportleraar in Nederland. Zoals je een GGD-schoolarts hebt en een schooldecaan voor je studiekeuze, zo zou je ook een laagdrempelige schoolagent moeten hebben. Een vast aanspreekpersoon op de middelbare school, live of online, waar je terecht kunt met al je vragen en zorgen over je eigen veiligheid of die van je vrienden. En waarom geen instagram politiebureau?

Verbonden

Gezondheidszorg, veiligheid, onderwijs en wonen zijn onlosmakelijk verbonden. Wie veel onveiligheid meemaakt in het leven, loopt grote fysieke en mentale gezondheidsrisico’s. Thuis en op school leer je naast rekenen en lezen, wat wel en niet acceptabel is in omgang met elkaar. Op de sportclub leer je je lijf kennen en ook dat je lijf van jou is. Hoe de woningcorporatie de speeltuin heeft gebouwd, bepaalt of je daar veilig kunt spelen als kind of niet. Of er gratis fitnessapparaten in een wijk staan, heeft invloed op gezondheid van jongeren maar zorgt ook dat je je buurt als een plek beschouwt waar het goed en vrolijk vertoeven is. Op welke leeftijd je in aanraking komt met wapens of drugs bepaalt of je ze ooit zelf gaat kopen.

Veiligheid adem je in

Niemand heeft ‘recht op geluk’. Het recht op gezondheid bestaat natuurlijk ook niet. Ook een veilig leven kan je niet opeisen. Maar je kunt er als politiek en beleidsmakers wel voor zorgen dat mensen van jongs af aan opgroeien in een gezonde leefomgeving. Datzelfde geldt voor veiligheid. Veiligheid adem je in. Hoe jonger je mensen veiligheid laat inademen in plaats van onveiligheid, des te scherper hun antenne afgesteld staat om goed voor zichzelf en voor elkaar te zorgen.


Dr. Danielle Braun is corporate antropoloog en directeur van de Academie voor Organisatiecultuur. Ze promoveerde op een onderzoek naar politiecultuur, was werkzaam bij de politie en als docent politieleiderschap op de politieacademie en is nog steeds nauw betrokken bij het veiligheidsdomein. Omdat ze houdt van professionals, en het hoopvol vindt dat dokters de politiek in gaan, denkt ze op onregelmatige tijden, doch met genoegen mee met NLBeter over veiligheid.


Maak medicatie juist duurder

Afgelopen jaar (2019) was er in Nederland een tekort aan 1492 verschillende geneesmiddelen: bijna een verdubbeling ten opzichte van 2018. Daar waren bijzondere geneesmiddelen bij, maar ook middelen die veel mensen dagelijks gebruiken.

Een tekort aan geneesmiddelen, of ze nu veel gebruikt worden of niet is om meerdere redenen onacceptabel. Apothekers zien de tekorten al vele jarenlang stijgen en het is aan hun inzet en opleiding te danken dat er nog geen (directe) doden toegeschreven kunnen worden aan de medicijntekorten.

Tegelijkertijd lijkt er bij de overheid té weinig kennis – laat staan kunde of visie – te zijn om dit probleem op te lossen: het vergroten van de voorraden is pas eind 2019 geopperd en behalve dat er nog niets van gerealiseerd is, laat het de oorzaak ongemoeid:

in Nederland zijn goedkope medicijnen te goedkoop en duurdere geneesmiddelen te duur.

Ongeveer driekwart van de medicatie die buiten het ziekenhuis gebruikt wordt is merkloos, ook wel generiek. Het resterende deel is gepatenteerd (specialité) en aanmerkelijk duurder. Opvallend detail is dat we nog geen 20% van de totale medicijnkosten besteden aan die 75% generieke medicatie. In 2018 hebben “we” hiermee 60% kostenbesparing gerealiseerd.

Te goedkoop

Laten we als een voorbeeld kijken naar iemand die een beroerte (TIA) heeft gehad. Als we deze meneer of mevrouw willen behoeden voor herhaling (of erger) dan hebben we een keurige richtlijn die ons helpt met het voorschrijven van medicatie om dat te voorkomen.

In dit voorbeeld behandelen we de patiënt met vier geneesmiddelen om bloeddruk, cholesterol en het vormen van bloedstolsels tegen te gaan. Al die medicatie is merkloos verkrijgbaar en kost (enkel de medicatie, de zorg niet meegerekend) in Nederland € 0,46 per dag of € 13,80 per maand. Weet u wat schoon drinkwater kost voor één persoon in Nederland? Dat is min of meer hetzelfde. We zijn daarmee niet alleen belachelijk goedkoop binnen de Europese Unie, maar staan ook achteraan in de rij wanneer kleinere hoeveelheden medicatie over gelijke aantallen verdeeld moeten worden.

Dit betekent dat de leveranciers die aan Nederland leveren een hele kleine marge verdienen vergeleken bijvoorbeeld omringende landen (België, Duitsland, Noorwegen). Vroeger werd er daarom geproduceerd in lagelonenlanden in Oost-Europa maar dat was door de eenwording van Europa nagenoeg ondoenlijk. Het productieproces is zó efficiënt ingericht dat er gemiddeld genomen genoeg geproduceerd kan worden. Eén kink in het proces en er ontstaat een domino-effect.

Nederland is bereid zó weinig te betalen voor de medicatie dat andere landen de voorkeur krijgen. De afzetmarkt is in België en Noorwegen (opgeteld) min of meer vergelijkbaar. Maar als je daar het dubbele tot tienvoudige krijg voor je product, ga je dat natuurlijk eerst aan je beste klanten leveren.

Wanneer je in Nederland de gemiddelde prijs van generieke medicatie verdubbeld (dus € 0,46 per dag wordt € 0,92 per dag) sta je niet langer op de laatste plaats wanneer er onvoorziene situaties zijn. Maar hoe betalen we dat?

Te duur

Om een nieuw medicijn van het lab naar de markt te brengen ben je vaak meer dan 8 jaar en bijna 1 miljard euro aan investering kwijt. Dat moet je niet alleen terugverdienen, maar ook aanvullen om nieuwe investeringen te kunnen doen. Veel innovaties komen van kleinere laboratoria die in dit proces investeringen vragen om de ontwikkeling voort te zetten. Hiervoor kloppen ze aan bij grotere fabrikanten of overheden en het komt voor dat dit wel 3 keer nodig is voor medicatie zijn weg naar de markt vindt. Maar dan heb je ook wat!

Helaas wel tegen een verkoopprijs die 2 of 3 keer verhoogd is door investeerders die hun inbreng willen verzekeren.

In de afgelopen jaren zijn onze ministers meerdere keer gaan onderhandelen met fabrikanten om de prijs naar beneden te krijgen ná introductie van nieuwe middelen op de Nederlandse markt. Dan loop je achter de feiten aan: als je eerder bereid bent om te investeren heb je niet alleen invloed op de uiteindelijke prijs voor je eigen burgers, maar kun je ook profiteren van het financiële rendement. Onder andere de Duitse overheid heeft om die reden gunstigere prijzen voor bepaalde medicijnen bedongen in vergelijking met wat onze overheid voor elkaar heeft gekregen. Extra voordeel: je kunt sturen op basis van prioriteit. We hebben niet zoveel haast met weer een nieuwe potentieverhogende pil, maar wél behoefte aan nieuwe antibiotica. Als investeerder heb je óók hierop invloed.

De Nederlandse overheid kan vele stappen vooruit maken om geneesmiddeltekorten te voorkomen zonder dat dit tot een onevenredige stijging van de geneesmiddelkosten leidt. Sterker nog: als we het goed doen, zullen de kosten wellicht zelfs minder hard stijgen.

Het doorzetten van het huidige beleid is niet alleen onverantwoord als het gaat om de continuïteit van beschikbaarheid van (noodzakelijke) medicijnen. Het is ook zinloos: goedkoper worden de generieke middelen niet meer. Als ze nog goedkoper zouden worden, gaan ze van de markt en hebben we niets meer.

Tegelijkertijd hebben diverse ministers met beschuldigende vingers gewezen naar de commerciële belangen van de farmaceutische industrie als het gaat om de prijzen van nieuwe medicatie.

Wellicht is het tijd dat boter op de ministeriële hoofden gaan smelten: doe het zelf. Nederland is financieel en innovatief gezien prima in staat om de ontwikkeling van geneesmiddelen vooruit te helpen.

Natuurlijk is zorg meer dan medicijnen, maar tegelijk vormen ze een basisbehoefte. Continuïteit van de geneesmiddelenvoorziening (tegen een realistische prijs) maakt Nederland stukken beter.


Het roer moet om in de gezondheidszorg

Publicatie in Noord Hollands Dagblad en Gooi en Eemlander


Volksvertegenwoordigers?

Trouwe bezoekers van deze site weten dat wij op 17 maart 2021 dingen naar de hand van de kiezer. Mocht dit lukken dan mogen wij ons volksvertegenwoordiger noemen; een eerbiedwaardig ambt. Volksvertegenwoordigers vergewissen zich ervan, ook nadat zij de stem van het volk hebben verworven, dat zij weten wat er speelt bij de gewone man. Zou je denken.

Laat mij u kort even meenemen langs de gebeurtenissen in de Tweede Kamer over de afgelopen weken rond de portefeuille zorg, die een andere indruk wekken.

Vanaf maart werd Nederland getroffen door het coronavirus. De zorg ging met kunst en vliegwerk vol gas; ‘flattening the curve’, luidde het devies. We kregen weer grip, applaus, blije gezichten alom. En dan ook nog een bonus in het verschiet. Eind goed, al goed.

Eh, even opnieuw; zo was het natuurlijk niet helemaal. De uitgangssituatie voor Corona was feitelijk niet vrolijk; 70.000 zorgvacatures plus het gegeven dat 43% van de jonge zorgmedewerkers het vak verlaat na amper 2 jaar! Te hoge werkdruk en lonen te laag voor verpleegkundigen en verzorgenden om fatsoenlijk een gezin te stichten of een huis te bekostigen.

Dezelfde collega’s die de ruggengraat vormen van onze gezondheidszorg als het er echt om spant. Dit zijn de mensen waar je op kunt rekenen als je, met je longen vol Covid-19, op je buik, met een slang in je keel, weerloos en onder zeil, op de IC ligt.

Deze zorghelden vertrouwen er op hun beurt weer op dat zij zich kunnen verlaten op hun volksvertegenwoordigers, if the shit hits the fan en iedereen zich elke dag in een stomend onderwaterpak moet hijsen.

Maar nu komt het. Het applaus is weggeëbd. De situatie na de eerste golf wordt geëvalueerd en wat blijkt uit een recente FNV-poll onder zorgpersoneel? Corona heeft een zeer zware wissel getrokken. 85% heeft het als te zwaar ervaren en 27% overweegt serieus minder te gaan werken of helemaal te stoppen. De matige uitgangspositie van de zorg dreigt dus door Corona nog verder te worden uitgehold.

SP en PvdA dienen een motie in om zorgwerkers structureel hoger te belonen. Goed idee, uitstekende timing zou je denken. Dat wordt kat in ‘t bakkie. Drie stemmingen blijken nodig; 75/75,  70/70 en uiteindelijk 73/71.. de ‘Coalitie tegen de Zorg’ wint. Dat betekent dus dat de helft van de parlementsleden blijkbaar gelooft dat zij het volk vertegenwoordigen als zij ervoor kiezen om het karretje van de zorg met voorbedachten rade verder de modder in te laten rijden. 100% van de coalitie, bestaande uit D66, het CDA, ChristenUnie, en de VVD stemt tegen. Niet een van deze parlementsleden, ik herhaal niet een, durft het aan om zijn/haar geweten en common sense te volgen en voor de motie te stemmen. De fractie- of kadaverdiscipline doet haar meedogenloze werk.

Iedereen met meer dan 50 IQ punten begrijpt dat het, mede gezien de aanzwellende vergrijzing, zaak is om jonge en bezielde zorgwerkers vast te houden, perspectief te bieden, te motiveren middels… waardering, een redelijk loon, meer collega’s en minder bureaucratie. Mensen gaan de zorg in om het verschil te maken, niet om rijk te worden. Maar dat is niet wat er is gebeurd. We praten over een branche waar een structureel tekort is aan personeel, waar personeel zich ondergewaardeerd voelt, overweegt het vak te verlaten in verband met te lage beloning. En nu, tot overmaat van ramp 27% overweegt minder of helemaal te stoppen met werken. En die ga je dus niet structureel een hart onder de riem steken?

Is de oppositie dan brandschoon? Nou, nee; zowel Renske Leijten als Lodewijk Asscher slagen er in om niet of  te laat te verschijnen voor een van de hoofdelijke stemmingen. Hoeveel zegt dat over leiderschap, over serieuze betrokkenheid bij dit onderwerp? Hoe is het trouwens mogelijk dat SP en PvdA er in nota bene 3! stemrondes niet in zijn geslaagd om zelfs maar 1 lid van de Coalitie tegen de Zorg om te praten? Hoe hard hebben ze het geprobeerd? Of was het bij voorbaat een kansloze missie. Is dit ‘business as usual’ in de Volksvertegenwoordiging? Dan zijn hoofdelijke stemmingen feitelijk een farce. Gewoon stemmen per partij, stuk simpeler, geen circus nodig.

Wat waren dan de belangrijkste argumenten van de Coalitie tegen de Zorg om tegen de motie stemmen? ‘Wij gaan daar niet over, dat dient aan de CAO-tafels te worden geregeld’. Kom op zeg, de zorg brokkelt af, het getorpedeerde schip maakt water.. Het andere argument; ‘weet wel dat we moeilijke tijden tegemoet gaan, zo’n crisis het kost wel wat hoor’ snijdt ook geen hout. Of moeten we gelaten constateren dat die ‘hele diepe zakken’ van minister Hoekstra alleen bestemd zijn voor de aandeelhouders van Booking.com, KLM en ander groot wild.

Is het dan echt zo kostbaar om de zorg uit het moeras te trekken, zoals de bekende Haagse kudde dystopische zorgeconomen ons altijd wil doen geloven? Natuurlijk niet. Als al het zorgpersoneel in plaats van 35% nog maar 15% van de werktijd bezig zou zijn met administratie en het bureaucratiegezwel van 20% zou vakkundig chirurgisch worden uitgesneden, dan is er plotseling 1 volle werkdag (0,2 fte) meer collega, en/of een structurele loonsverhoging, en/of tijd voor na- en bijscholing en perspectief op groei. Kortom, dan wordt het vak weer hip, swingend en aantrekkelijk voor jonge collega’s en eindigt de uittocht. Vergis u niet, 20% minder werktijd besteed aan bureaucratie op een zorgbegroting van 80 miljard euro waarvan 60% personeelskosten, levert minimaal € 9 miljard op die aan echte zorgverlening kan worden besteed.

Dat wordt de hamvraag de komende verkiezingen in maart. Willen wij een Tweede Kamer waarin kadaverdiscipline heerst? Of willen wij een cultuurverandering, een situatie waarin kamerleden zich realiseren dat zij ook het ‘zorgvolk’ vertegenwoordigen?

Mocht u nu, na het lezen van bovenstaande denken; zo’n kleine nieuwe partij, wat heb je daar nu an? Het moge duidelijk zijn; volgend jaar dienen we gewoon weer een motie in en een paar stemmen kan een wereld van verschil maken. Voor de zorg, voor ons allemaal!


VAN PATIENT CENTRAAL NAAR DE MENS CENTRAAL

De patiënt centraal is een veelgehoord credo maar met de dreiging van het afschaffen van de vrije artsenkeuze is het nog maar de vraag hoe centraal hij staat. Terwijl u dit leest wordt er naarstig gedebatteerd door de wijze mannen en vrouwen in Den Haag of de patiënt dit recht mag behouden. Misschien een mooi moment om, naar aanleiding van de ongelofelijke inzet van al mijn collega’s in de zorg, de dokter eens centraal te zetten.

Of begeef ik me nu op glad ijs? Want dan gaan we snel weer naar de patiënt. Terug naar mijn comfortzone.  Afgelopen week las ik in Medisch Contact dat huisarts Kees de Kock vindt dat zijn vakgenoten te weinig weten over het werk van hun patiënten. Een heel betoog over het feit dat werk of werksituaties voor een deel de klachten bepalen waarmee de patiënt op het spreekuur komt. Hieruit komt de vraag voort of werk gerelateerde problemen wel of niet hoort bij het domein van de huisarts. We hebben immers ook nog een bedrijfsarts. En daar moeten we het ook even over hebben. De zorg raakt ongelofelijk versnipperd wat voor een groot deel bijdraagt aan de hoge kosten. Voor ieder orgaan een specialist en niemand kijkt meer echt holistisch naar de patiënt en dat zou wel moeten! De patiënt is geen foto maar een hele film. Het is natuurlijk te gek voor woorden dat een huisarts 1 klacht per consult mag bespreken en nauwelijks de tijd krijgt om een en ander in perspectief te plaatsten.

Het standpunt van NLBeter is dat als de huisarts meer tijd krijgt om zijn patiënten écht te leren kennen dit substantieel scheelt in doorverwijzingen naar de specialist. Een experiment in het plaatsje Afferden heeft dat eerder onomstotelijk uitgewezen. Als de huisarts meer tijd krijgt om zich te verdiepen in het wel en wee van zijn patiënt dan zijn er 25% minder verwijzingen nodig naar de specialist. Het experiment werd afgebroken omdat het plaatselijke ziekenhuis serieuze inkomsten misliep door het teruglopen van het aantal verwijzingen.

Los van het feit dat dit een voorbeeld is van een “perverse prikkel” in de zorg, wat al erg genoeg is, illustreert het ook nog eens het totaal verdwijnen van de menselijke maat. Een patiënt is meer dan een som van zijn organen. Een beetje meer ‘holisme’ zou dus mooi zijn en leidt ook nog eens tot significante kostenreductie.

Versterking van de eerste lijn. Ik ben niet bang dat mijn beroepsgroep straks duimen zit te draaien. De innovaties en technologische ontwikkelingen schreiden voort en daar zijn de specialisten voor nodig. En met de aanhoudende obesitas -epidemie kunnen we het werk waarschijnlijk met zijn allen nog steeds niet aan. Daar ligt echt de grootste winst, mensen gezond houden, dan gaan we de kraan dichtdraaien in plaats van dweilen.

Van de patiënt centraal naar de mens centraal.


Hoe haal je het in je hoofd om een politieke partij te beginnen?

Als je een nieuwe partij opricht dan krijg je een aantal standaardreacties. ‘Goh, wat dapper, waar je maar zin in hebt!’ Maar ook de wezenlijke vraag: waar staan jullie voor?’

Als zorgverlener draai ik al een tijdje mee in het Nederlandse zorgsysteem. In het begin van mijn loopbaan was ik nieuwsgierig en nam ik alles zo goed mogelijk in mij op. In de fase daarna werd ik wat onrustiger en soms zelfs geïrriteerd. Ik verbaasde me over patiënten die niet goed binnen het systeem leken te passen en daardoor verwaarloosd werden. 

Chronische psychiatrische patiënten, ook wel ‘draaideur-patiënten’ genoemd, die telkens opnieuw met een dwangmaatregel moesten worden opgenomen omdat niemand zich echt verantwoordelijk voelde waardoor ze ernstig verloederden.  Patiënten met een borderline persoonlijkheidsstoornis en ingewikkelde trauma’s waar niemand zijn handen aan wilde branden omdat ze ‘te duur’ waren, waardoor ze telkens weer op de intensive care belandden met ernstige zelfmoordpogingen.  Maar ook ouderen die op vrijdagmiddag op de Eerste Hulp belandden, in de war door verwaarlozing en een slechte voedingstoestand. Niet ziek genoeg voor het ziekenhuis, maar ook te slecht om weer naar huis te sturen. Je kon geen kant op met ze omdat ze op dat moment niet in het juiste hokje pasten om voor opvang in een verpleeghuis in aanmerking te komen. Of die veel te dikke patiënt die in een rolstoel was beland omdat zijn beide benen waren geamputeerd vanwege suikerziekte. In zijn neus een zuurstofslangetje en in zijn vergeelde vingers toch een sigaret. 

De talloze voorbeelden die ik voorbij heb zien komen raakten me en toonden aan dat er iets niet klopt in ons zorgsysteem.

Mijn onrust en bezorgdheid probeerde ik om te zetten in opiniestukken en media-optredens. Dolgelukkig was ik toen er door mijn optreden in een tv-programma een Kamervraag werd gesteld over de wachtlijsten in de GGZ.  Mijn geluksgevoel verbleekte echter rap toen ik erachter kwam dat er in de praktijk helemaal niks veranderde. Ja, er werden een taskforce en een commissie samengesteld en er werden rapporten geschreven waar vervolgens weer over werd vergaderd met als uitkomst: nóg meer rapporten. Er veranderde niks.

‘Hoe kan het toch dat iedereen het erover eens is dat er iets moet veranderen, maar dat het toch niet gebeurt’, vroeg ik me af. 

Ik ging praten met allerlei mensen met verstand van politiek en zorgsystemen. Veel gesprekken eindigden met: ‘weet je, het is eigenlijk zo complex dat ik het ook niet helemaal begrijp’.  Sommige drukten me bij het afscheid op het hart ‘maar realiseer je wel dat wij een van de beste zorgsystemen ter wereld hebben’.

Deze uitspraak is slechts gedeeltelijk waar: als je een hartinfarct krijgt word je inderdaad snel en goed geholpen. Maar oh wee als je tot een kwetsbare groep behoort, dan heb je in Nederland gewoon pech. 

Jongeren die in de knoop zitten en tevergeefs aan moeten kloppen bij de gemeente voor jeugdzorg, ouderen die tussen wal en schip vallen omdat ze niet in de juiste categorie vallen, chronische psychiatrische patiënten: deze groepen tonen schrijnend aan dat we te maken hebben met een falend systeem. 

We zijn verstrikt geraakt in een systeem dat ziekte als verdienmodel beschouwt. Snelle en dure diagnose-behandel-combinaties ten behoeve van lucratieve contracten met de zorgverzekeraars. Geen echte marktwerking maar gereguleerde marktwerking waardoor slechts vier grote zorgverzekeraars het zorgbeleid in Nederland domineren. Eindeloze managementlagen waarvan niemand meer snapt wat de toegevoegde waarde is en waardoor niemand echt verantwoordelijk is. Tekentafelbeleid dat vaak niet werkbaar is omdat mijlenver afstaat van de dagelijkse praktijk. De professional die niet aan het roer staat, waardoor te vaak en te veel onzinnige zorg wordt verleend. De leegloop in de zorg omdat professionals ontevreden zijn dat ze niet meer kunnen doen waarvoor ze op aarde zijn. Te weinig belang bij het inzetten op leefstijl en preventie waardoor gezondheid elitair wordt en de lagere economische klasse significant ongezonder is. De voedingsindustrie die nog steeds aan tafel zit in Den Haag waardoor onze jongeren de dupe worden van ongezonde voeding en worstelen met overgewicht en alle gezondheidsrisico’s van dien.  Dure adviesbureaus die de zorg als melkkoe gebruiken en bakken met geld aan nutteloze interventies verdienen. 

Ik concludeerde dat ik me binnen de spreekkamer wel kan inzetten om mijn patiënten beter te maken, maar dat ze ziek blijven of ziek worden door een falend systeem.

Toen ik mijn oor wat breder in de samenleving te luisteren legde begreep ik dat deze systeemfouten niet alleen de zorg verzieken, maar de hele publieke sector. Te veel accent op financieel-economische prikkels, te veel bureaucratie: in het onderwijs, bij de politie en overal in de publieke sector is sprake van dezelfde problemen.

Het is tijd voor verandering maar vooral tijd om echt wat te gaan doen!

Daarom doen wij mee aan de verkiezingen op 17 maart 2021 omdat de publieke zaak alleen gediend kan worden door mensen met verstand van zaken.  De tijd van manifesten is voorbij. Wij willen naar Den Haag om echt invloed uit te kunnen oefenen op wet- en regelgeving.

  

Als u, net als wij, overtuigd bent dat we met elkaar een gezonde samenleving met een sterke publieke sector kunnen realiseren dan hoop ik van harte dat u op ons stemt.


Ton van Haperen: Onderwijs kan en moet beter

In het jaar 2000 lag het aantal laaggeletterden onder 15-jarigen op ongeveer 10%. Menigeen dacht toen: goed onderwijs brengt ons vanzelf naar het getal nul. In 2020 ligt het percentage laaggeletterdheid echter op 25%. Wat impliceert dat een kwart van 15-jarigen brieven van overheidsdiensten niet begrijpt. Deze deficiëntie is voor het leven.

Bij zo’n dramabericht doet onderwijs even mee in de krantenkolommen. De verklaringen buitelen over elkaar. Maar dan zie ik een reportage van Nieuwsuur over het lerarentekort. Een directeur van een basisschool in een kansarme wijk in Amsterdam staat naast een mevrouw. Zij gaat groep 3 doen. Onbevoegd, de mevrouw gaat misschien nog naar de pabo, voor die bevoegdheid, maar de toelatingstoetsen zijn best moeilijk. Waarom ze dan toch aan groep drie mag lesgeven? Ze is onderwijsassistent, een Mbo-opleiding. Kinderen met een vmbo-basis/kader diploma, zeg maar de vroegere huishoudschool, gaan daar heen. Deze onderwijsassistent gaat kinderen leren lezen. De directeur roept op camera net wat te hard dat hij er alle vertrouwen in heeft. Ten onrechte, maar hij kan moeilijk anders.

Zo vreten de termieten aan de fundamenten van goed onderwijs. De gevolgen zijn voor iedereen zichtbaar. De landenvergelijkende resultaten, verzameld door de OESO, dalen 20 jaar aan een stuk. Onderzoeken naar dat wat op school geleerd is in geschiedenis, burgerschap, rekenen laten allemaal hetzelfde zien; het wordt minder en neemt gênante vormen aan. Kunnen kinderen in groep 8 de werkwoorden nog prima vervoegen, in de derde klas van het voortgezet onderwijs is dat ineens ingewikkeld.

Elk jaar publiceert de onderwijsinspectie De Staat van het Onderwijs. Deze rapportage schetst een inktzwart beeld. Kinderen vinden hun leraren aardig, voelen zich veilig op school, maar gemotiveerd om iets te leren zijn ze amper tot niet. Voldoen en door naar het volgend jaar is de norm. Op deze bewaarschool telt vooral waar je vandaan komt en niet wat je op school leert. Het resultaat is een wonderlijke paradox. Terwijl kinderen minder leren neemt de deelname aan het hoger onderwijs toe, met dank aan het groeiend aantal particuliere huiswerkinstituten.

De daling van het leerrendement van basis- en voortgezet onderwijs is algemeen bekend en niemand schept hier genoegen in. Minder leren staat immers voor welvaartsverlies in de vorm van een lagere verdiencapaciteit en erosie van maatschappelijke cohesie. En dus volgt beleid. De resultaten zijn keer op keer tegengesteld aan de doelstellingen. In 2008, het jaar van de kredietcrisis, het geld is even op, toch maakt de toenmalige minister Plasterk 1 miljard euro vrij ter bestrijding van het kwalitatief lerarentekort. Die 1 miljard moet het opleidingsniveau van leraren doen stijgen. In werkelijkheid daalt het opleidingsniveau vrolijk verder. Overheid en schoolbesturen vinden ook dat leerlingen te weinig verantwoordelijkheid nemen voor hun leerproces. Met individualisering van leertrajecten, ICT en leerpleinen proberen ze daar wat aan te doen. Het resultaat? De Nederlandse leerling is ongemotiveerder en consumptiever dan ooit.

Basis- en voortgezet onderwijs hebben serieuze kwaliteitsproblemen en genomen maatregelen maken alles erger. Precies dat gegeven maakt de sector onbestuurbaar. NLBeter is de partij die slecht bestuur prominent op de agenda zet. Goed is dat.

    


Nieuws: Esther van Fenema wordt lijsttrekker NLBeter

Esther van Fenema, mede-oprichter van NLBeter, wordt de lijsttrekker van deze partij voor de verkiezingen van de Tweede Kamer in maart 2021.

Van Fenema (1970) is psychiater, violist en opiniemaker. Sinds 2016 is zij vaste columnist voor Medisch Contact, schrijft opiniestukken voor de landelijke media en is interviewster bij opiniesite Café Weltschmerz. Ze is regelmatig commentator bij programma’s van de EO op NPO-radio 1, bij WNL en bij programma’s zoals DitisM en RTL-boulevard.

NLBeter werd in november 2019 opgericht. Het bestuur bestaat behalve Van Fenema uit cardiologe Janneke Wittekoek en psychiater Ronald Mann. De structurele problemen in de gezondheidszorg vormen het uitgangspunt voor NLBeter.

Van Fenema: “Dezelfde systeemfouten die in de zorg zijn geslopen, hebben ook het onderwijs en in de overige onderdelen van de publieke sector verziekt. In Den Haag ontbreekt het lef en het inzicht om het roer volledig om te gooien. NLBeter is van mening dat het tijd is om de professionals aan het roer te laten in de publieke sector zodat we weer naar een gezonde samenleving toe kunnen werken. Ik vind het een eer dat ik deze strijd mag gaan leiden.”


Opinie: Over marktwerking in de zorg - Ronald Mann

Inleiding:

Marktwerking in de zorg; een heerlijk onderwerp om in minimale tijd op maximale polarisatie te zitten; iedereen heeft er een mening over en het uitventen van deze meningen leidt meestal tot heftige emoties. Dóór deze emoties vindt er geen debat meer plaats. Er wordt volop en op hoge toon gepreekt vanuit eigen parochie: economen, ziekenhuisdirecteuren, journalisten en, last but not least, politici. Als nieuwe politieke partij nemen wij ook graag deel aan het debat. Het is namelijk hard nodig.

Ons huidige zorgstelsel is bezig te bezwijken; verlamd door bureaucratie, personeelstekorten en een gebrek aan visie op de toekomst. Ondertussen lopen de kosten verder op. Bekend verhaal.

Toen kwam Corona. Het virus legde pijnlijk bloot dat onze gezondheidszorg volstrekt niet was voorbereid op ‘virale calamiteiten’. Gevolg: het land en onze economie liggen op hun gat. Onze medische slagkracht en publieke gezondheidszorg werden overrompeld door het virus. Er lag geen plan klaar, er waren niet genoeg ic-bedden, veel hulpverleners hebben onbeschermd moeten werken en zijn hierdoor zelf besmet geraakt en/of hebben anderen onnodig besmet. Pijnlijk.

Met dank aan het zorgstelsel. Essentie hiervan is namelijk dat de verantwoordelijkheid voor de kosten en organisatie van de gezondheidszorg ligt bij ‘marktpartijen’; private zorgverzekeraars en zorgaanbieders.

Mijn verbazing was dus groot toen premier Rutte op televisie verscheen om bij de verwelkoming van Corona in ons land onmiddellijk de regie over te pakken van deze ‘marktpartijen’. Huh? Ik had eigenlijk de baas van Zorgverzekeraars Nederland op tv verwacht, samen met chef ziekenhuizen, Ad Melkert, met de boodschap; ‘geen paniek mensen, dit is een naar virus, maar wij van de zorgverzekeraars en ziekenhuizen hebben ons dankzij gereguleerde marktwerking de afgelopen jaren uitstekend kunnen voorbereiden. We sterven in de mondkapjes en hebben genoeg beademingsmachines om minimaal de hele Randstad van zuurstof te voorzien. We hebben hierin altijd opgetrokken met de Duitsers, die het ook zo fijn voor elkaar hebben’.

Gereguleerde marktwerking, zo wordt het zorgstelsel genoemd waarvoor we in 2006 hebben gekozen.

Aanleiding om toen tot een stelselwijziging te komen was kort door de bocht: ziekenfondsen deugen niet, de zorgkosten rijzen de pan uit en wachtlijsten zijn te lang. Daarbij kwam nog de breed levende gedachte dat universeel heil ons deel zou zijn als je ‘de markt zijn werk laat doen’.

Maar welke markt dan? Met welke marktpartijen? Graag neem ik deze gelegenheid te baat om het concept ‘marktwerking in de zorg’ wat uit te diepen en begrippen te verhelderen. Ter meerdere eer en glorie van het debat.

Marktwerking, de begrippen.

Even in Jip en Janneke-taal voor de niet economen onder ons; op een ‘markt’ worden diensten en goederen aangeboden. Op die markt zijn zowel ‘consumenten’ als ‘producenten’ actief, die er in vrijheid voor kiezen om producten aan te bieden dan wel af te nemen. Producenten doen hun stinkende best, gedreven door concurrentie met andere producenten, door kwaliteit, kwantiteit en prijsstelling de consument te verleiden tot aankoop. Bovengenoemde uiteenzetting zal iedereen onmiddellijk herkennen uit het dagelijks leven. We beslissen elk moment of we een goedkoop of duur broodje kopen. Veel geld uitgeven voor een nieuwe auto of een tweedehandsje scoren.

Nu even de vertaling naar de zorg. De consument is nu (potentieel) patiënt, u dus lezer. U wilt graag goede zorg kopen maar dat kunt niet, u kunt alleen een polis kopen. Die polis vertelt u waar u zorg (in natura) mag ophalen en waar niet. Als u toch naar een andere (niet gecontracteerde) dokter wilt, moet u zelf betalen of bijbetalen. U kunt ook een restitutiepolis kopen, die is iets duurder, dan mag u naar alle dokters, maar soms moet u toch bijbetalen… Ingewikkeld dus.

Maar het lastigste is dat u op het moment dat u een nieuwe polis wilt kopen voor het komend jaar u meestal niet weet wat voor soort polis u komend jaar nodig hebt. Ok, dat was marktwerking. Nu de zorgmarkten.

De zorgmarkten:

In het huidige stelsel zijn wel drie verschillende ‘zorgmarkten’ gedefinieerd:

1. De zorgverzekeringsmarkt. Burgers zijn wettelijk verplicht een basisverzekering aan te schaffen. Zorgverzekeraars verkopen deze polissen en innen uw premiegeld. Als tegenprestatie kopen zij zorg in bij zorgaanbieders die u mag aanwenden mocht u onverhoopt getroffen worden door ziekte;

2. De zorginkoopmarkt. Met de verzamelde premies kopen zorgverzekeraars zorg in en sluiten contracten met zorgaanbieders;

3. De zorgaanbiedersmarkt. Hier zetten zorgaanbieders hun beste beentje voor door zorg te leveren aan de patiënt, u en ik. Zij behandelen, begeleiden en adviseren u richting een betere gezondheid.

De zorgverzekeringsmarkt:

Als ik in een ondeugende bui ben gebruik ik nog weleens de chat-up line: ‘heb jij nu enig idee waar de vier grote zorgverzekeraars voor staan’? Een afwezige blik wordt doorgaans mijn deel of mensen raken in paniek en beginnen schichtig om zich heen te kijken.

Behalve aan het eind van het jaar, als je wettelijk de mogelijkheid hebt om van zorgverzekeraar te wisselen dan is het even spannend.  Je kunt je dan storten op die bekende grootste vergelijkingssite, die overigens tot 2018 in bezit was van de grootste zorgverzekeraar maar dat terzijde. ‘Zoekt u een zorgpolis? Kom dan maar gewoon bij ons. Wij hebben speciaal voor u allereerst de markt volstrekt ondoorzichtig gemaakt, maar via de website geleiden we u weer netjes naar ons terug’.

Zo zorgzaam is de zorgverzekeringsmarkt.

Ik heb het net al een beetje verklapt, maar ook een leuk gezelschapsspel op een feestje; ‘wie weet 100% zeker of ie een restitutie of naturapolis heeft?’ Stilte.

Tweede vraag, voor die ene smartass die zelfverzekerd zijn vinger had opgestoken; ‘en wat is het verschil?’ Doodse stilte.

Ik ben eenmaal iemand tegengekomen die ze allebei goed had. Inderdaad, die werkte bij een zorgverzekeraar. Kortom, het is geen sexy onderwerp, weinigen snappen hoe het werkt maar het gaat indirect wel over je gezondheid en de zorg die je straks mogelijk nodig hebt.

Van de zorgverzekeringsmarkt wordt niemand blij. De consument begrijpt wanneer ie de zorg nodig heeft maar niet het verband met de polis. Een ‘product’ dat gaat over de meest basale levensvoorwaarde: onze gezondheid.

En keuzes maken over ónze eigen gezondheid moeten we blijkbaar overlaten aan ‘de zorgverzekeraar’? Een immens bedrijf, waar op geen enkele verdieping een dokter is te bekennen!?

De zorgverleningsmarkt:

Er wordt weleens gesuggereerd dat patiënten niet goed kunnen bepalen wie een goede of slechte hulpverlener is. Dat is niet mijn ervaring. Steeds vaker verschijnen patiënten op het spreekuur, voorzien van informatie van het internet, of van vrienden en bekenden, die verstandige en kritische vragen stellen.

Alleen ouderen willen, als je hen een keuze voorlegt, nog weleens zeggen; ‘beslist u maar dokter, u heeft er voor geleerd’. Wat ik hiermee maar wil zeggen: patiënten kunnen wel degelijk een keuze maken door wie of waar zij behandeld willen worden. Ze weten dondersgoed het verschil tussen een goede en minder goede behandelrelatie en bejegening. Of ze serieus worden genomen of niet. Of ze beter worden of niet.

Tevredenheid wordt geuit; direct in de vorm van een compliment of het uit zich in de kwaliteit van de relatie en het feit dat men, bij chronisch klachten, terugkomt, of de hulpverlener aanraadt bij familie en vrienden.

Als mensen ontevreden zijn over hun arts of hulpverlener zijn er, een aantal opties: 1. In gesprek gaan met hulpverlener of organisatie. 2. Het indienen van een klacht en/of 3. Naar een andere hulpverlener/organisatie gaan en hopen dat het daar beter zal gaan. Het lijkt warempel wel een markt.

De zorginkoopmarkt:

Deze markt gaat grotendeels aan de burger voorbij. Toch is het nuttig om enigszins te begrijpen waar het achter de schermen om gaat. Zorgverzekeraars zijn groot, heel groot. Vier partijen hebben 90% van de markt. Om op ooghoogte te kunnen onderhandelen met verzekeraars zijn aanbieders de afgelopen jaren ook als een gek gegroeid. Vandaar minstens vijf managementlagen en te weinig zorgprofessionals aan het roer. Door de omvang van organisaties is er een vinkjescultuur ontstaan; vertrouwen is goed, controle is beter. Daarnaast hebben verzekeraars een wettelijke zorgplicht jegens hun verzekerden en staan dus onder druk elk jaar genoeg zorg in te kopen. Het mag duidelijk zijn dat zij door die jaarlijks terugkerende tijdsdruk, liever met minder dan met meer partijen zakendoen, dat scheelt tijd en werk.

Bijwerking is dat kleinere partijen minder aan bod komen. Laten kleinere partijen (in het bedrijfsleven ook wel bekend als ‘startups’) nu het meeste potentieel hebben voor innovatie en kwaliteitsverbetering. Concurrentie, weet u nog.

‘Tegen marktwerking in de zorg’.

Nu we de markten in vogelvlucht zijn langsgelopen lijkt het moment gekomen even stil te staan bij het debat zelf.

Men laat zich in de media vaak negatief uit over ‘marktwerking in de zorg’. Marktwerking is oorzaak van alle rampspoed en ‘moet weg’.

Ik krijg vaak het idee dat betreffende schrijvers een intense hekel hebben aan alles wat riekt naar een vrije (kapitalistische) markt, maar er steeds niet toe komen om nu eens serieus te gaan sparen voor een enkele reis naar Noord-Korea. Ondernemers zijn mensen die in hun ogen louter ‘geld opstrijken’. Winst wordt ‘weggesluisd’ en verdwijnt ‘in zakken’.

Dat winst in alle organisaties ter wereld een basisvoorwaarde is om te kunnen investeren in innovatie, verbetering van kwaliteit en groei is een no-brainer voor alle markten die je maar kunt bedenken. Maar blijkbaar niet in de zorg.

Conclusie:

Het debat over marktwerking in de zorg ligt open. Wij zullen daar als NLBeter aan deelnemen en het tot prominent onderdeel maken van onze verkiezingscampagne.

Stel je toch eens voor dat we de zorgverzekeringsmarkt helemaal zouden schrappen?

De overheid de eindverantwoordelijkheid helemaal terug zou pakken en samen met gemeenten, via regionale aanbesteding zou gaan sturen op gezondheid in plaats van alleen op kosten?

Dat daarbij de jonge burgers op school al leren over gezond leven, voedsel, preventie en zingeving zodat ze gemakkelijker en natuurlijker de verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid en die van anderen begrijpen en kunnen toepassen?

En dat ze, als het dan echt nodig is, nog steeds gebruik kunnen maken van de vrije artsenkeuze die nu weer onder vuur ligt. Hoe mooi zou dat zijn?

Ik hoop dat we voor nu het speelveld afdoende hebben gedefinieerd zodat we elkaar in het debat straks beter begrijpen. Als iemand binnen of buiten de Tweede Kamer dan toch nog roept; ‘weg met marktwerking in de zorg!’, dan gaan we het debat aan.

Maar voordat we gepassioneerd onze eigen argumenten afsteken zullen we eerst de vraag stellen: ‘goh, interessant, welke zorgmarkt bedoel je precies?

Wordt vervolgd!